Duizenden jaren bewoning in Ede - een overzicht
Inleiding
Bewoning in Ede heeft plaatsgevonden vanaf enkele duizenden jaren voor Christus. Door opgravingen en soms ook historische bronnen, weten we veel over de bewoners en de levenswijzen. De tijd tussen de eerste bewoning in het Edese gebied en de huidige gemeente Ede, kan worden onderverdeeld in verschillende tijdsperioden.
Hieronder zullen de verschillende perioden kort worden belicht, om een algemeen beeld te geven van de geschiedenis van Ede.
Paleolithicum (300.000-8800 v.Chr.)
De oudste vondsten (vuistbijlen) in de gemeente Ede dateren uit het midden-Paleolithicum (300.000-335.000 jaar geleden). Dit is het tijdperk van de (pre-)Neanderthaler. Op een akkertje in de Sijsselt in Ede is eind 2002 door een amateur-archeoloog een vuursteenafslag aangetroffen die met zekerheid in het Midden Paleolithicum is te plaatsen.
Andere vuursteenvindplaatsen in de gemeente wijzen op de aanwezigheid van bewoning in het Laat Paleolithicum B (het eind van het Weichselien, 13.000-8800 v.Chr.). In deze tijd bestonden de gemeenschappen uit groepen jagers en verzamelaars die door het toen heersende toendralandschap rondtrokken. Zij verbleven gedurende korte tijd in zogenaamde jachtkampen.
Mesolithicum (8800-4900 v.Chr.)
In het Mesolithicum (het begin van het Holoceen) werd het klimaat warmer en maakte het toendralandschap langzaam plaats voor en gesloten loofbos. De jagers en verzamelaars bleven het gebied bewonen. Vindplaatsen uit deze periode worden vooral aangetroffen op de overgang van hoog naar laag en van droog naar nat.
Een vindplaats uit deze periode is aangetroffen in Kernhem in Ede.
Neolithicum (5300-2000 v.Chr.)
Gedurende het Neolithicum ging de mens geleidelijk over naar een agrarische levenswijze. Men trok niet meer rond, maar vestigde zich permanent. Hiermee samenhangend vonden enkele technologische veranderingen plaats, zoals het gebruik van aardewerk en geslepen hakwerktuigen. Bovendien werden aan het eind van deze periode (het Laat-Neolithicum) grafheuvels opgeworpen voor de overledenen. Door na-bijzettingen in deze heuvels werden ze gedurende lange tijd achtereen als begraafplaats gebruikt, zodat in een grafheuvel begravingen uit meerdere archeologische perioden kunnen voorkomen. In de gemeente Ede komen zeer veel grafheuvels voor die tijdens het Laat-Neolithicum en de Bronstijd in gebruik zijn geweest. Vele daarvan zijn van rijkswege beschermd. Daarnaast zijn in de gemeente nederzettingen uit (vooral) het Laat-Neolithicum bekend.
Bronstijd (2000-800 v.Chr.)
In een groot deel van de Bronstijd vindt begraving nog plaats in grafheuvels; pas in de late Bronstijd gaat men geleidelijk over tot begraving in (grote) urnenvelden. Hierbij wordt de overledene gecremeerd en (in een urn) begraven, waarna over het graf een heuvel wordt opgeworpen. Waarschijnlijk begon men in de Bronstijd op grotere schaal te ontbossen en akkers aan te leggen, waardoor de eerste heidevelden zijn ontstaan. In de gemeente Ede zijn minder vindplaatsen uit de Bronstijd bekend dan uit het Neolithicum.
IJzertijd (800-12 v.Chr.)
In de IJzertijd is sprake van een grote bevolkingsdichtheid. Er zijn enkele grafheuvels uit de IJzertijd in de gemeente Ede, maar men begroef vooral in urnenvelden tijdens deze periode. Opvallend is de ontwikkeling van Celtic Fields (raatakkers) in de IJzertijd. Een groot deel van de Celtic Fields in de gemeente Ede is van rijkswege beschermd. In de gemeente Ede zijn diverse nederzettingen uit de IJzertijd bekend.
Op het Opella-terrein in Bennekom en in De Vallei in Ede zijn vindplaatsen opgegraven uit de IJzertijd.
Romeinse tijd (12 v.Chr.-450 na Chr.)
De periode tussen 12 v.Chr. en 450 na Chr. wordt de Romeinse tijd genoemd. De noordgrens van het Romeinse Rijk ligt ongeveer ter hoogte van de Rijn; Ede ligt dus net buiten het toenmalige Romeinse Rijk. De gemeenschappen die in de gemeente Ede leefden hadden een intensief contact met de bewoners van het Romeinse Rijk, hetgeen blijkt uit de vele Romeinse vondsten. Nederzettingsterreinen uit deze periode worden vooral aangetroffen op de dekzandruggen van de Gelderse Vallei. Begravingen uit de Romeinse tijd zijn nog niet aangetroffen.
Aan de Pascalstraat in Ede is in 2007 een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij een compleet erf uit de Romeinse tijd is aangetroffen.
Middeleeuwen (450-1500)
Op veel plaatsen in de gemeente Ede wordt de Romeinse bewoning voortgezet in de vroege Middeleeuwen (450-1050). Direct na de Romeinse tijd was een sterke bevolkingsafname merkbaar, maar na circa 550 begon de bevolkingsdichtheid weer toe te nemen. Dit gaat gepaard met een voortdurende uitbreiding van het landbouwareaal, waarmee de basis wordt gelegd voor het huidige karakter van grote delen van het Edese cultuurlandschap. Nederzettingsterreinen uit de vroege Middeleeuwen worden vooral aangetroffen op de overgang van het stuwwallenlandschap naar het dekzandlandschap van de Gelderse Vallei. De oude dorpskernen van Lunteren, Wekerom, Doesburg, Ede en Veldhuizen kennen hun oorsprong in de vroege Middeleeuwen. Ook wordt in deze periode de basis gelegd voor het wegenpatroon, dat tegenwoordig nog grotendeels in gebruik is.
Tijdens de late Middeleeuwen vinden op grote schaal veenontginningen plaats in de lage delen van de Gelderse Vallei, en worden de hogere delen van het stuwwallenlandschap in snel tempo ontbost. Als gevolg van de ontbossingen wordt het stuwwallenlandschap vanaf de late Middeleeuwen tot ver in de 19e eeuw gekenmerkt door uitgestrekte heidevelden. Hier werden de schapen geweid, terwijl heideplaggen, vermengd met mest en bosstrooisel, gebruikt werden om de akkers te bemesten. Dit vruchtbare mengsel werd jaarlijks op de akkers gebracht, waardoor de zogenaamde engen (ook wel essen of enken genoemd) zijn ontstaan. Als gevolg van overbegrazing, uitputting van de grond, het steken van heideplaggen en algemene verdroging in de 11e eeuw ontstonden vanaf de late Middeleeuwen op de hogere zandgronden van de Veluwe uitgebreide zandverstuivingen. In sommige gevallen heeft dit ertoe geleid dat nederzettingen werden verlaten.
Nieuwe Tijd (1500-heden)
Door de uitvinding van de kunstmest raakte de heidevelden overbodig en konden ze in relatief korte tijd worden ontgonnen. Deze ontginningen startten aan het eind van de 19e eeuw, waarbij een groot deel van het heide-areaal werd beplant met bos ten behoeve van de houtindustrie en de mijnbouw.
Contactgegevens
Raadhuis
Bergstraat 4
6711 DD Ede
Postbus 9022
6710 HK Ede
tel.: (0318) 68 09 11

