Rijksmonument

Restauratie aan de Keetmolen
Restauratie aan de Keetmolen
Onderhoud aan de kerk
Onderhoud aan de kerk

Eigenaren van rijksmonumenten kunnen voor de instandhouding van hun monument een beroep doen op de regelingen van het uitvoerend orgaan van het ministerie van OCW, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Bekijk ook de grotere foto's met toelichting.

De invoering van het BRIM vanaf 2006

De nieuwe instandhoudingsregeling BRIM (Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten) is vanaf februari 2006 door het rijk ingevoerd en zal tot 2012 gefaseerd de oude regelingen BRRM 1997 (Besluit Rijkssubsidiëring Restauratie Monumenten) en BROM (Besluit Rijkssubsidiëring Onderhoud Monumenten) gaan vervangen. Dit houdt verband met de geschatte omvang van de categorie en onderhoudsbehoefte. Om die reden stromen bijvoorbeeld de molens het eerst in. Pas vanaf 2012 is het gehele structurele budget beschikbaar voor het BRIM. Per jaar is bepaald voor welke categorieën monumenten vanaf dat jaar aanvragen kunnen worden ingediend. Als een categorie eenmaal is ingestroomd, kan er elk jaar voor deze categorie een aanvraag worden gedaan. Deze gefaseerde invoering ziet er als volgt uit:

  1. molens, kastelen, landhuizen en dergelijke, horeca-instellingen
  2. boerderijen, woonhuizen en delen van woonhuizen in het bezit van organisaties voor monumentenbehoud en decentrale overheden, weg- en waterwerken
  3. openbare gebouwen, verdedigingswerken, liefdadige instellingen, losse objecten
  4. kerkelijke gebouwen objecten en onderdelen met rijksmonumentnummer: 45.950 - 530.00
  5. kerkelijke gebouwen objecten en onderdelen met rijksmonumentnummer: 1 - 26.099
  6. kerkelijke gebouwen objecten en onderdelen met rijksmonumentnummer: 26.100 - 45.949

Het nieuwe BRIM combineert de reeds bestaande mogelijkheden van fiscale aftrek van instandhoudingskosten met een uitbreiding van het gesubsidieerde onderhoud van alle categorieën monumenten, inclusief de monumentale interieurs. De regeling kent een leningvariant en een subsidievariant. Het BRIM onderscheidt twee soorten eigenaren. Enerzijds eigenaren van woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie, anderzijds overige eigenaren. Eigenaren van woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie komen in aanmerking voor een goedkope, een zogenaamd laagrentende lening, de restauratiefondshypotheek. Eigenaren van overige monumenten kunnen op grond van een zesjarig instandhoudingsplan een beroep doen op subsidie. Eigenaren die geen recht hebben op fiscale aftrek komen in aanmerking voor een hogere lening of een hoger subsidiepercentage.

A. de leningvariant (restauratiefondshypotheek):

  1. is bedoeld voor eigenaren van rijksbeschermde woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie. Woonhuizen zijn gebouwen die oorspronkelijk als woning zijn gebouwd of gebouwen die nu primair voor bewoning worden gebruikt. Kerkgebouwen, kastelen, buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens en gemalen zijn van deze groep uitgezonderd. Die komen namelijk, net als de overige monumenten, in aanmerking voor subsidie;
  2. loopt via de Belastingdienst Bureau Monumenten ( BBM), die de fiscaal aftrekbare onderhoudskosten vaststelt en het Nationaal Restauratiefonds ( NRF) die een lening verstrekt;
  3. laat eigenaren die geen recht hebben op fiscale aftrek voor een hogere lening in aanmerking komen.

B. de subsidievariant:

  1. is bedoeld voor eigenaren van andere monumenten dan woonhuizen en woonboerderijen;
  2. loopt via de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), die de aanvraag behandelt, en het NRF, dat de subsidie uitbetaalt;
  3. laat eigenaren die geen recht hebben op fiscale aftrek voor een hoger subsidiebedrag in aanmerking komen;
  4. kan alleen worden aangesproken indien bij het aanvraagformulier een periodiek instandhoudingsplan voor een periode van zes jaar wordt ingediend. Dat plan moet gebaseerd zijn op een bouwkundig inspectierapport, dat opgesteld is door bijvoorbeeld een architect of de Monumentenwacht, en dat niet ouder dan twee jaar mag zijn. Het bevat een overzicht van de aard en de omvang van de voorgenomen werkzaamheden, een omschrijving van de beoogde resultaten (bestek, besteksparagraaf of werkomschrijving), een meerjarenplan voor de werkzaamheden en een meerjarenbegroting;
  5. wordt alleen verstrekt over subsidiabele kosten voor instandhouding. Per object en per complex worden er voor een periode van zes jaar maximale subsidiabele kosten vastgesteld waarover subsidie kan worden verleend.

Vergunning nodig?

Het is mogelijk dat u voor de werkzaamheden waarvoor u subsidie aanvraagt een monumentenvergunning en/of een bouwvergunning nodig heeft. In de regel is dat zo wanneer u méér uitvoert dan alleen klein onderhoud. Meer daarover leest u op de pagina over Vergunningen voor Monumenten.