Bosbeheer

Lange tijd was de algemene opvatting dat bossen er waren om hout te produceren. De term bosbouw zegt het al. Op stuifzand werden percelen zelfs ingeplant als akkers, met planten in rijen en op een vaste afstand van elkaar. Bij het oogsten werd zo’n bos volgens het kaalslagsysteem van voor naar achter omgehaald zodat het gewonnen hout vlot kon worden afgevoerd. In de laatste decennia is dat productiebos op de tocht komen te staan. Niet alleen veranderde de vraag naar hout, tevens won de opvatting terrein dat een bos meer actief deel uitmaakt van landschap en natuur en dat het ook bezoekers (recreanten) wat te bieden moet hebben.In 1990 koos de gemeente Ede dan ook voor geïntegreerd bosbeheer: bij keuzes over snoeien, kappen of aanplanten telde niet alleen meer de houtproductie, maar ook wat een boom/bos kan bijdragen aan de natuur en hoe de recreant het een of het ander zal beleven.

Sindsdien werkt de gemeente Ede aan een meer natuurlijk bos:

  • dus zonder monocultures, maar met mengingen van verschillende soorten bomen en dan bij voorkeur de inlandse soorten eik, beuk, berk en grove den;
  • met meer lichtboomsoorten als lariks, grove den, berk en eik; deze soorten laten voldoende licht door om een onderbegroeiing van kruiden en struiken (de lagere etages) tot stand te laten komen;
  • met een meer open structuur, dus bomen minder dicht op elkaar zonder dat er open plekken ontstaan;
  • met meer staand en liggend dood hout dat voedsel en onderkomen biedt aan allerlei planten en dieren.  

In de praktijk van het bos betekent dat:

  • gericht dunnen: bij de keuze tussen kappen of laten doorgroeien let men op de genoemde aandachtspunten;
  • streven naar oude bossen: een oud bos biedt meer levenskansen voor plant en dier, het levert beter zaaghout op en wordt door bezoekers hoger gewaardeerd. Complete verjonging van percelen is nu uitzondering geworden.