Landschappen van de Vlinderdas
De drassige plek waar u op uitkijkt was vroeger een weiland met een slootje. Deze `Smalle Slootbeek` loopt van west naar oost door de enclave. Het is de belangrijkste watergang die allerlei watertjes met elkaar verbindt. Langs de sloot zijn op verschillende plaatsen stukken grasland terug gegeven aan de natuur. Op deze plek is de sloot verbreed met een flauwe helling, waardoor een plas/dras gebied is ontstaan. Daarmee wordt bedoeld dat het hier een gedeelte van het jaar nat is, terwijl het met name in de zomer droog is. Dit soort overgangsgebieden zijn voor de natuur van groot belang vanwege de interessante vegetatie.
Voor een bijzondere plantengroei mag de bodem echter niet te vruchtbaar zijn. Door op sommige plaatsen de grond uit te graven en om te keren (profielomkering) is de bemeste toplaag verdwenen en ligt de schrale (voedselarme) onderlaag nu boven.
Zo krijgen planten als kale jonker en gele lis weer de kans.
Houtwal
Een houtwal is een door de mens opgeworpen aarden wal met een aaneengesloten beplanting van verschillende houtsoorten. Vroeger werden ze aangelegd voor de produktie van gerief- en brandhout, als eigendomsmarkering en als bescherming van akkers tegen wild en vee. Voor de natuur zijn houtwallen heel belangrijk. Vogels, kleine zoogdieren, vlinders en insekten vinden in de dichte structuur voedsel, schuil- en nestgelegenheid.
Om die dichte structuur te behouden wordt één keer in de 10 jaar ± 80% van het hout `afgezet`. Dat wil zeggen dat bomen en struiken een eindje boven de grond worden afgezaagd. De stobben lopen weer uit onder invloed van het licht. Het is belangrijk enkele bomen te laten staan. Deze `spaarbomen` zijn van belang als zangpost voor vogels en als oriëntatiepunt voor vlinders en vleermuizen. Het gekapte hout wordt vaak in zogenaamde rillen opgestapeld. Deze rillen vormen een goede schuilplaats voor allerlei dieren.
Vleermuizen

- Vleermuiskelder

- Uitzicht vanaf vleermuiskelder
In Nederland komen ongeveer 20 vleermuissoorten voor. Op De Ginkel zijn 7 á 8 soorten waargenomen, waaronder de watervleermuis, de laatvlieger, de dwergvleermuis en de rosse vleermuis.
Vleermuizen zijn nachtdieren. Overdag slapen ze in holle bomen, op zolders en in andere donkere holtes. In de schemering gaan ze op jacht en keren pas tegen het ochtendgloren terug. De in Nederland levende soorten eten uitsluitend insekten. In de winter houdt de vleermuis een winterslaap. Om uitdroging te voorkomen zoekt hij een koele, vochtige plek op met een constante temperatuur. Met dit doel is hier een vleermuiskelder aangelegd. Het is een stenen gebouw met een systeem van holtes en buizen in de vorm van een slakkenhuis. Hoe kouder het buiten wordt, hoe dieper de vleermuis de kelder in zal gaan. Op de bodem van de kelder staat 's winters altijd een laag water. Met de bouw van deze vleermuiskelder hopen we de vleermuizen een betere mogelijkheid tot overwinteren en dus tot overleven te bieden. Van de genoemde soorten kiest alleen de rosse vleermuis een boom uit om te overwinteren.
Water
Water is belangrijk. Niet alleen voor de mens, maar ook voor dieren. Herten, reeën, dassen en vogels lessen hier hun dorst.
's Avonds scheert de watervleermuis over het oppervlak, jagend op insecten.
Voor padden, kikkers en salamanders zijn plassen als deze van groot belang. Amfibieën hebben voor hun voortplanting water nodig. In het voorjaar zetten ze hier hun eieren af. De meeste soorten verlaten meteen daarna het water om de rest van het seizoen op het land te verblijven.
De larven van amfibieën kunnen niet zonder water omdat ze ademhalen via kieuwen. Tijdens hun ontwikkeling worden de kieuwen vervangen door longen. In de zomer, als de longen volgroeid zijn, verlaten ook zij het water. Amfibieën overwinteren in de modderlaag van de poel, in kelderruimtes en onder boomstronken en ander dood hout. In `Vlinderdas` zijn de lente-, zomer- en winter-verblijfplaatsen (biotopen) van amfibieën ruimschoots aanwezig. Poelen, vochtige graslanden en houtwallen liggen op korte afstand van elkaar.
De Kreelse Plas
De Kreelse Plas ligt op het laagst gelegen stuk van De Ginkel. De omgeving van de plas is drassig. Er zijn maar weinig bomen die dat verdragen. Het bosje rond de plas bestaat daarom voor een groot deel uit els. Het wordt wel een elzenbroekbosje genoemd. Broek betekent: land dat bij hoge waterstand onderloopt. Dit verschijnsel doet zich op droge gedeelten van de Veluwe niet voor. Er is hier sprake van hoogveenontwikkeling. Plantendelen vallen in het water en stapelen zich op. Op een gegeven moment komt de laag boven het water uit. Het materiaal is sponsachtig en neemt veel water op. Een bijzondere plantengroei met b.v. veenpluis is het resultaat. Hoogveen ligt boven NAP en is daarom heel kwetsbaar: in geval van verdroging is ook het veen weg.
Met de situatie die ontstaan is rond de Kreelse Plas hopen we vogelsoorten aan te trekken als ijsvogel en putter.

- Kudde Veluwse Heideschaap

- Poel bij de schaapskooi
Schaapskooi
Een eindje verder naar het westen ligt een schaapskooi. Deze schaapskooi beidt onderdak aan ongeveer 200 tot 250 Veluwse Heideschapen. De schapen worden ingezet om de heide te begrazen. Heidevelden zijn kwetsbare gebieden die zonder actief beheer dicht zouden groeien. Door de schapen steeds op een andere plek te laten grazen wordt voorkomen dat de hei dichtgroeit.
Deze kleine poel aan de rand van de heide werd vroeger gebruikt om de schapen in te wassen en ze er te laten drinken. In het voorjaar trekken hier padden, kikkers en salamanders naar toe om hun eieren af te zetten. De waterstand van deze poel kan door het jaar heen sterk wisselen onder invloed van de hoeveelheid regen.
Als bijzondere heidebewoners kunt u de zandhagedis en vlinders als zandoogje, groentje en heidevlinder aantreffen.
Bosreservaat

- Beukenlaan
Een bosreservaat is een aangewezen deel van het bos waar, vanwege haar ouderdom, weinig tot geen beheersmaatregelen meer getroffen worden.
De tegenhanger van het bosreservaat zijn de lanen in de bossen. Lanen werden vroeger aangeplant als begrenzing van eigendom. In dit gebied zijn er nog een aantal over. Talloze dieren vinden hier een goed onderkomen. Vogels, insekten en vleermuizen vinden hier voedsel, nest- en broedgelegenheid. Een dier dat op plekken als deze ook voorkomt is de boommmarter. Dit nachtdier huist in boomholtes - vaak in oude spechtennesten - en voedt zich met eieren, vogels, konijnen, muizen, insekten en vruchten. Onterecht wordt gesteld dat de boommarter op eekhoorns jaagt. Zowel de eekhoorn als de boommarter zijn zeer behendige klimmers. Zelden of nooit leidt dit tot een confrontatie waarbij de eekhoorn als prooi dient voor de boommarter. De Veluwe is een belangrijk leefgebied voor deze martersoort.
Hertenreservaat
Het hertenreservaat is aangelegd om publiek de gelegenheid te geven om wild eens goed te bekijken zonder de dieren te storen.
Vanuit het natuurcentrum worden er wildkansel avonden georganiseerd vanwaaruit u met de fiets naar het reservaat fietst en onder begeleiding van een boswachter het reservaat doorloopt tot aan de wildkansel alwaar u droog zittend het wild kan observeren en uw vragen aan de boswachter kunt stellen.

- Herten in het reservaat

- Wildkansel
Contactgegevens
Raadhuis
Bergstraat 4
6711 DD Ede
Postbus 9022
6710 HK Ede
tel.: (0318) 68 09 11
fax: (0318) 68 05 77






