Dieren

In de stedelijke omgeving is de ruimte voor de dieren veel beperkter dan in het buitengebied. Het is vooral in het ecologisch groen waar we zoveel mogelijk rekening houden met de dieren. De grootschalige groenobjecten zoals de bloembermen, bosplantsoenvakken, de stadsbossen en de vijvers en singels bieden aan veel dieren beschutting en een plaats om voedsel te vinden.

Bermen

Bij het maaien van de bloembermen maaien we niet alles in een keer, maar we werken gefaseerd. Dit houdt in dat we bij de eerste maaironde in het voorjaar sommige bermen (of delen daarvan) niet maaien. Hierdoor kunnen vlinders en andere insecten tot in het najaar nectar in de bloembermen vinden. Van de zaden van de uitgebloeide bloemen leven weer muizen en vogels.
Ook tijdens de tweede maaironde in het najaar maaien we niet alles. Het zijn vooral de hogere kruidenranden langs de oevers van vijvers en singels die tijdens de winter blijven staan. In deze ruige, uitgebloeide randen kunnen veel dieren tijdens de winter beschutting en voedsel vinden.

Bosplantsoen

Bij het beheer van bosplantsoen houden we zoveel mogelijk rekening met de natuurlijke opbouw van de kruiden-, struiken- en bomenlaag. Op plaatsen waar dat mogelijk is zaaien we de randen van het bosplantsoen in met een bloemenmengsel dat speciaal geschikt is voor (half)schaduw. In deze kruidenranden leven muizen, egels en andere kleine zoogdieren. Insecten leven van de nectar in de bloemen. Vogels eten de zaden en bessen van kruiden, struiken en bomen.

Siergroen

Ook in siergroen houden we zoveel mogelijk rekening met de dieren. Door een gerichte plantkeuze voldoen we aan de wensen van veel dieren. Door bv. bloeiende struiken te kiezen waar veel insekten op afkomen. Of groenblijvende en stekelige struiken voor de beschutting voor vogels. Struiken en bomen met bessen en zaden. Vroegbloeiende bloembollen waar veel hommels en bijen op afkomen.